Drieluik 'Lerende Praktijken': Deel 2

“Onze leerlingen hebben vaak ingrijpende levenservaringen achter de rug. Veel van hen hebben trauma’s of langdurige onveiligheid meegemaakt. Tegelijkertijd zien we dat ouders geregeld zijn vastgelopen in eerdere hulpverlening. De school is voor hen wél een vertrouwde plek.
Als hulp buiten de school wordt georganiseerd, haken gezinnen sneller af. Daarom zijn we hulp naar binnen gaan halen. Eerst via pilots, met innovatie- en zorggelden. We hebben zelf partijen benaderd en gevraagd om in de school te komen werken. Later zijn we daarover met de gemeente in gesprek gegaan. Inmiddels financiert de gemeente Amsterdam specialistische jeugdhulp in het speciaal onderwijs. Dat betekent dat scholen budget hebben om zorg op locatie in te kopen.”
“We werkten al intensief samen met hulpverlening. Maar we wilden kritischer kijken: wat doen we precies? Wat zijn de werkzame factoren? En hoe kunnen we onderbouwen dat dit niet alleen prettig voelt, maar ook daadwerkelijk effect heeft? Binnen de Lerende Praktijk hebben we onderzocht hoe we verder kunnen verdiepen. Spreken we dezelfde taal? Sluit de visie van de hulpverlening aan bij die van de school – en andersom? En hoe maken we zichtbaar wat het oplevert voor leerlingen en gezinnen?”
“Gedrag zien we als een signaal, niet als iets wat je moet bestraffen.”
“Een belangrijk voorbeeld is ons werken met traumasensitief onderwijs. Leerkrachten zijn daarin geschoold. We kijken naar wat een kind heeft meegemaakt, welke triggers er zijn en hoe je daarop reageert. Gedrag zien we als een signaal, niet als iets wat je moet bestraffen.
Ik heb hulpverleners meegenomen in hoe wij dat in de klas vormgeven. Ze hebben geobserveerd, we organiseerden werklunches en voerden gesprekken over wat ze zagen. Dat werkte twee kanten op. Zij raakten geïnspireerd en zijn ook traumasensitief gaan werken in hun behandelingen. Inmiddels werken we zelfs aan traumasensitief ouderschap. Door elkaar mee te nemen in elkaars werkwijze ontstaat gedeelde taal. En dat merk je direct in de samenwerking rond leerlingen.”
“We investeren bewust in relatie. Gewoon bij elkaar binnenlopen. Niet alleen praten over casuïstiek, maar ook over gewone dingen. Daarnaast hebben we vaste werkvormen ontwikkeld. We organiseren meerdere keren per jaar speeddatesessies waarin leerkrachten en hulpverleners elkaar in korte rondes spreken. Dat kan over een leerling gaan, maar ook om elkaar beter te leren kennen.
En misschien nog belangrijker: we hebben naast werkoverleg ook procesoverleg. In een klein kernteam bespreken we continu de vraag hoe we samenwerken. Wat schuurt? Wat moet anders? Daar komen vaak de punten boven tafel die je in een groot overleg niet snel hoort.”
“Omdat hulpverleners structureel in de school aanwezig zijn, kan ondersteuning soms dezelfde dag starten. We hoeven niet per leerling eerst een hele beschikkingsprocedure te doorlopen. Voor ouders betekent het dat ze hun verhaal niet steeds opnieuw hoeven te vertellen. We formuleren samen de hulpvraag en doen vaak ook samen de intake bij een behandelaar in de school. Dat verlaagt de drempel enorm.
Kinderen zelf betrekken we ook. Hulp is bij ons genormaliseerd. Ieder kind krijgt ergens ondersteuning bij. Daardoor voelt het niet als iets bijzonders of afwijkends.”
“Ruimte en vertrouwen. Wij hebben het geluk dat ons bestuur en onze directie ruimte gaven om dit op te bouwen. Maar zelfs als die ruimte er nog niet volledig is, moet je beginnen. Wacht niet tot het systeem bestaat. Vorm het zelf, al is het klein. We zijn ooit met concrete casussen naar de gemeente gegaan. We lieten zien: zo deden we het vroeger, zo doen we het nu, dit is het verschil. Dat helpt beleidsmakers om te begrijpen wat het in de praktijk betekent.
De gemeente Amsterdam heeft vervolgens structureel budget beschikbaar gesteld. Tegelijkertijd vragen ze om evaluatie en onderbouwing. Dat is terecht. Deelname aan de Lerende Praktijk helpt ons om die reflectie systematisch te organiseren.”
“Door afspraken vast te leggen waar dat kan, maar vooral door te blijven reflecteren. Dat cyclische – meten, bespreken, bijstellen – is essentieel. Anders wordt samenwerking weer persoonsafhankelijk. We delen ervaringen in stedelijke werkgroepen, organiseren bijeenkomsten en blijven onderzoeken wat werkt. Zo groeit het door.”
“Niet wachten. Begin gewoon. Zoek één partij die met je mee wil denken. Vier de kleine successen. En blijf volhouden. Er zullen altijd bezwaren zijn. Maar als jij ziet dat dit nodig is voor je leerlingen, dan moet je het zelf in beweging zetten. Enthousiasme werkt aanstekelijk – en goede voorbeelden overtuigen uiteindelijk ook beleid.”
Vera Ram is orthopedagoog en zorgcoördinator binnen de Mr de Jonghschool en bovenschools zorgcoördinator voor Stichting Orion in Amsterdam. Binnen haar portefeuille valt ook de coordinatie van de specialistische jeugdhulp speciaal onderwijs (SJSO).
In de volgende nieuwsupdate lichten we Lerende Praktijk Emmen uit en laten we zien hoe samenwerking daar vorm kreeg. Hoe ze het in Veendendaal aanpakten? Dat deelden we op 25 februari in ons interview met Peet de Graaf van Veens Welzijn.
Hoe relevant is dit artikel voor jou?
Nieuw: je kunt dit bericht nu beoordelen met sterren. Zo laat je eenvoudig zien in hoeverre dit onderwerp aansluit bij jouw werk en praktijk. Met die input krijgen wij scherper zicht op wat er speelt binnen het netwerk en welke thema’s voorrang verdienen. Die inzichten gebruiken we om gerichter te kiezen wat we delen met onze leden en lezers.