
Peter: “Wij waren als gemeente al vroeg bezig met IKC-vorming. Nog vóór mijn tijd als wethouder had mijn voorganger samen met schoolbesturen afspraken gemaakt om toe te werken naar kindcentra in alle wijken. Het uitgangspunt was helder: overal waar een basisschool is, willen we ook kinderopvang. Dus een dekkend netwerk in de hele gemeente.
Dat is geen wettelijke verplichting. Het is ontstaan vanuit de behoefte van ouders en kinderen om voorzieningen te bundelen. En inhoudelijk wil je die doorgaande lijn: van peuter naar basisschool, vanuit één pedagogische basis. De kopgroep bood de mogelijkheid om die lokale ambitie te verbinden met landelijke ontwikkelingen. We konden ervaringen delen, werkbezoeken doen en samen optrekken richting het Rijk.”
Angèle: “In Zeist liep een bredere wijkaanpak binnen de regiodeal, met als pijler ‘samen opgroeien en opvoeden’. In die wijk wilden we ook een integraal kindcentrum ontwikkelen. Dat sloot direct aan bij mijn portefeuille onderwijs en jeugd.
Toen ik hoorde van de kopgroep, dacht ik: dit helpt mij om die ambitie verder te brengen. Hoe organiseer je nu echt die doorgaande leerlijnen? En hoe doen andere gemeenten dat? Een aantal gemeenten was daar al veel verder in dan wij. Dat was voor mij heel nuttig en leerzaam.”
Peter: “De kopgroep was ooit een pioniersgroep. Maar integrale kindcentra zijn inmiddels niet nieuw meer. Het onderwerp hoort thuis in het reguliere bestuurlijke overleg. Door het onder te brengen in het bredere onderwijsnetwerk, agendeer je het landelijk en structureel. We merkten ook dat het minder nodig was om apart te opereren. Veel meer gemeenten zijn hiermee bezig. Dan is het logisch om het in het bestaande netwerk onder te brengen.”
Angèle: “Ja, nu zit je in een groter netwerk, dichter bij de VNG-structuur. Je kunt steviger de lobby richting VNG en het Rijk voeren. Ik zie het als een logische volgende stap: het gedachtegoed van de kopgroep moet daar landen. Dat is ook nodig, want veel van de knoppen waar je aan wilt draaien, bevinden zich op landelijk niveau.”
“Je wil beweging creëren richting normaliseren en een andere manier van kijken: minder individueel en meer contextueel, meer collectief.”
Angèle: “Als gemeente heb je de wettelijke taak om een Lokale Educatieve Agenda te organiseren. Toen ik vier jaar geleden begon, lag er geen actieve LEA en waren de contacten met scholen vooral één-op-één. We hebben dat opnieuw opgebouwd en meteen verbreed naar een brede agenda jeugd en onderwijs, waarin ook kinderopvang en andere partners aansluiten.
Regie betekent voor mij: de agenda zetten en partijen bij elkaar brengen. Maar je rol is ook tweeledig. Je bent samenwerkingspartner én opdrachtgever van partijen als GGD, welzijn en het sociaal team. En je wil meer dan alleen organiseren. Je wil beweging creëren richting normaliseren en een andere manier van kijken: minder individueel en meer contextueel, meer collectief. Die beweging bereik je niet alleen door te sturen op minder dure jeugdhulp. Je hebt die hele omgeving nodig.”
Peter: “Daar sluit ik me helemaal bij aan. Je kunt als wethouder zowel regie voeren vanuit huisvesting als de inhoud. Over de inhoud maken wij afspraken via de LEA en via jeugdbeleid. Dat zijn afspraken over normaliseren, vroegsignalering en bijvoorbeeld ‘één gezin, één plan’, één gezamenlijk ondersteuningsplan voor een gezin, in plaats van losse trajecten naast elkaar. Dit betekent dat je onderwijs, kinderopvang, het kernteam, passend onderwijs en andere partners bij elkaar brengt. Wij organiseren onze LEA per kern – dus per dorp binnen onze gemeente – zodat het dichtbij georganiseerd is. Deze gedachte zie je ook terug in ons integraal huisvestingsplan voor kindcentra: als we bouwen of renoveren, zorgen we standaard dat er ruimte is voor kinderopvang.
De grens van onze regie ligt bij de uitvoering van opvang en onderwijs. Binnen de kaders hebben scholen en kinderopvang een eigen verantwoordelijkheid om het op hun manier vorm te geven. En dat zie je ook: geen enkel kindcentrum bij ons is hetzelfde.”
Peter: “In de praktijk zie je dat onderwijs steeds meer een vindplaats van jeugdzorg wordt. Veel kinderen krijgen individuele indicaties. Onderwijs is georganiseerd rond groepen; jeugdzorg rond individuen. Dat schuurt. Soms zou je liever collectief organiseren – bijvoorbeeld met een extra klassenassistent – dan vijf individuele trajecten naast elkaar. Daarom werken wij aan normaliseren: niet elk verschil is een probleem. Veel gedrag hoort bij opgroeien. Als je de basis goed organiseert, voorkom je dat je alles medicaliseert.”
Angèle: “Precies. Er is een markt ontstaan waarin we heel snel naar diagnose en interventie gaan. Terwijl je vaak eerst zou moeten vragen: wat heb je nodig? En wat kan de omgeving doen?
Voor mij hoort daar ook bij dat we peer-to-peer support weer normaler maken. Dat we als ouders weer met elkaar durven praten over opvoeden en de dilemma’s, in plaats van bij elke vraag meteen naar een professional te gaan. En dat we als samenleving ook leren: soms even niks doen. Observeren. Niet alles direct oplossen. Jeugdhulp moet er zijn voor kinderen met complexe ondersteuningsvragen. Maar we schieten nu door.”
“We moeten echt stoppen met kinderopvang te zien als arbeidsmarktinstrument”.
Peter: “Voor mij begint het bij de ontwikkeling van kinderen. Kinderopvang moet je niet primair zien als arbeidsmarktinstrument, maar als pedagogische voorziening. Wij kijken er nadrukkelijk naar vanuit kansengelijkheid. Dat betekent dat je een sterke pedagogische basis organiseert rond ieder kind, dichtbij huis in de wijk, met een doorgaande ontwikkellijn van 0 tot 12 jaar. De samenwerking met jeugdzorg en passend onderwijs hoort daar zeker bij, maar dat is wat mij betreft de tweede ring. Onderwijs is de basis.”
Angèle: “Een sterke pedagogische basis zorgt ervoor dat álle kinderen tot hun recht kunnen komen. Dan moet je zoals Peter zegt inderdaad echt stoppen met kinderopvang primair te zien als arbeidsmarktinstrument. Ik zou het liefst zien dat kinderopvang en ook de stelselherziening onder het ministerie van Onderwijs vallen in plaats van onder Sociale Zaken.
En de arbeidseis bij gratis kinderopvang moet verdwijnen. De kinderen die het ‘t hardst nodig hebben, hebben vaak ouders die niet werken. Als je echt denkt in doorgaande leerlijnen en in de natuurlijke verbinding tussen kinderopvang en primair onderwijs, dan past dat arbeidsmarktkader daar niet bij.”
Peter: “Voor ons is huisvesting een echte hefboom geweest. Als we bouwen of renoveren, nemen we kinderopvang structureel mee. En we sturen bewust op ontmoeting. Bijvoorbeeld door in een nieuw kindcentrum één gezamenlijke personeelsruimte te maken in plaats van twee aparte. Dat lijkt een detail, maar het is een cultuurknop. Je bouwt samenwerking letterlijk in het gebouw.”
Angèle: “In Vollenhove – onze wijk met de grootste uitdagingen – zie je hoe een wijkgerichte pedagogische basis verschil kan maken. Rond de school gebeurt van alles: taallessen voor ouders, een ontmoetingsplek voor moeders, gezonde schoollunches. Met ‘School en Omgeving’ en de zogeheten rijke schooldag – extra sport-, cultuur- en ontwikkelaanbod na schooltijd – halen we ouders meer naar binnen.
In die wijk werken we ook aan een familieschool: de school als natuurlijke plek waar ouders en kinderen zich vertrouwd voelen. Niet als losse loketten, maar als één team rond talentontwikkeling en positief opvoeden. Daarnaast hebben we met twee scholen en de professionals daaromheen dezelfde training gevolgd in talentgesprekken met kinderen. Daardoor spreken docenten en naschoolse begeleiders dezelfde taal. Je kijkt voorbij probleemgedrag en vraagt: wat heb jij nodig?”
Angèle: “Je moet samenwerking echt als partnerschap organiseren en breed trekken: scholen, kinderopvang, GGD, sociaal team, samenwerkingsverbanden, welzijn. We hebben een bestuurlijk overleg en daaronder verschillende overleggen met schooldirecteuren, rectoren en kinderopvang. Juist dat verbreden naar kinderopvang is belangrijk: wat zien jullie bij jonge ouders? Dan komen thema’s naar voren als slaap, sociale media of gezonde voeding, waar je samen iets mee kunt.
Wat ik cruciaal vind, is dat je naast elkaar blijft staan. We maken bijvoorbeeld het jeugdhulpgebruik inzichtelijk van leerlingen uit onze gemeente, per school. Niet om te zeggen: ‘jullie doen het niet goed’, maar om het eerlijke gesprek te voeren: wat zien we hier, wat is typerend voor deze wijk, wat doen jullie al?”
Peter: “Structuur helpt. Je moet het borgen in je LEA, in je jeugdbeleid en ook in je huisvesting. Anders wordt het vrijblijvend. En organiseer het dichtbij. Als je samenwerking abstract maakt, zakt het weg. Per kern of per wijk kun je sneller schakelen. Ook moet je het steeds weer verbinden aan het waarom: het gaat om de ontwikkeling van kinderen.”
“We moeten veel meer naar de basis en de context: bestaanszekerheid, stress, ouders die de eindjes niet aan elkaar kunnen knopen. Anders blijft het pleisterwerk”
Angèle: “De versnippering is enorm. Soms moet je voor een pilot met jeugdhulp op school langs heel veel gemeenten om financiering bij elkaar te krijgen. Dan hangt het te veel van persoonlijke ambities en netwerken af. Het zou veel meer in het systeem moeten zitten: ontschotting, makkelijker organiseren. Daarnaast doen we te veel met tijdelijke subsidies. Terwijl je juist lange termijn wil investeren in voorzieningen op school.
Ik kijk daarom ook breder: betrek kinderopvang en onderwijs structureel bij de hervormingsagenda jeugd. We zitten nu nog te veel in de systeemlogica van ‘jeugdhulp knelt en de kosten lopen op’. We moeten veel meer naar de basis en de context: bestaanszekerheid, stress, ouders die de eindjes niet aan elkaar kunnen knopen. Anders blijft het pleisterwerk.”
Peter: “De stelselgrenzen maken integratie lastig: verschillende wetgeving, verschillende financiering, verschillende toezichtkaders voor kinderopvang en onderwijs. Als je echt een doorgaande lijn wilt, werk je voortdurend tegen die schotten aan. Als ik het zou mogen ontwerpen, zou ik kiezen voor één voorziening voor 0 tot 12 jaar, gebaseerd op een leerrecht voor alle kinderen. Bekostigd vanuit één ministerie, met één toezichtkader. Geen toeslagenstelsel, geen aparte regimes.
Als we echt inclusief onderwijs willen, moeten we eerlijk zijn: dan heb je structurele middelen nodig om alle kinderen te kunnen bedienen. Die ruimte is er nu niet.”
Peter: “Het vraagt om continuïteit. De structuur per kern, de normaliserende werkwijze en de meerjarige programmering van kindcentra in het huisvestingsplan moeten blijven staan. Dat geeft continuïteit voor kinderen, ouders en professionals.
En blijf kijken vanuit de ontwikkeling van kinderen. Als je die binnenste ring goed organiseert, wordt de tweede ring – zorg en ondersteuning – ook anders. Je kunt meer dan alleen je wettelijke taak uitvoeren.”
Angèle: “In de rol van wethouder kun je je taakopvatting smal maken, maar je kunt ook zeggen: sommige dingen ga ik formeel niet over, maar ik ga er wél voor. It takes a village to raise a child. Mijn boodschap aan collega-wethouders is dan ook: wacht niet tot de regels zijn aangepast, organiseer die village. Werk vanuit verbinding, met een gezamenlijke agenda en ambities.
En voer ook het scherpe gesprek: ‘Jij hebt iets te doen en ik heb iets te doen’. Maar wel steeds vanuit gedeelde verantwoordelijkheid en de vraag: wat hebben kinderen nodig om tot hun recht te komen? En ja, ik ben gemotiveerd om daar ook in een volgende periode mee door te gaan.”